Het Land van Beveren, Jaargang I, Nr. 2 (1958)
Dit nummer van Het Land van Beveren (1958) bundelt een reeks historische en heemkundige bijdragen over Beveren en zijn deelgemeenten. Het opent met een uitvoerig artikel over de familie Piers, een invloedrijke adellijke familie die zich in de 17e eeuw in Beveren vestigde. “Domus consulis Piers” staat op de bekende kopergravure van het Lant van Beveren en verwijst naar hun statige woning in de Vrasenestraat. Petrus Franciscus Piers, geboren in 1626, werd ontvanger van de heerlijkheid Beveren en later burgemeester. Hij huwde Anna Maria de Jonghe, telg uit een voornaam geslacht. Hun tien kinderen speelden een opmerkelijke rol: zes dochters werden geestelijke dochters, ongehuwde vrouwen die zich wijdden aan liefdadigheid en onderwijs. Anne Françoise Piers stichtte rond 1693 een meisjesschool en later het weeshuis en de school op het Hof ter Welle, de kiem van de Congregatie O.L.V. Presentatie. Het artikel benadrukt haar blijvende impact op het volksonderwijs in Beveren.
Het tweede grote stuk behandelt de verdwenen windmolen van Verrebroek, een houten staakmolen die tot 1931 op de “Hoge Wilde” stond. De molen, gebouwd in de 17e eeuw door Florent Voet, kende een lange geschiedenis maar raakte in verval door concurrentie van moderne maalderijen en slijtage. In 1931 werd hij openbaar verkocht en volledig afgebroken; enkel het muldershuis bestaat nog. Het artikel reconstrueert de eigenaarslijn en het dagelijkse molenbedrijf, maar vermeldt dat er geen volksverhalen of legendes aan de molen verbonden zijn.
Daarna volgt een historisch-archivalische bijdrage over de polders van het Land van Beveren, met focus op de periode 1350–1583. Centraal staat het decreet van 21 april 1353 van graaf Lodewijk van Male, waarin hij opdracht geeft tot het indijken van Kieldrecht en Kallo: “dwelcke in tiden verleden ute ghegaen es”. Het document toont hoe commissarissen werden aangesteld om land te meten, te schatten, te palen en eigendommen te beschermen. De tekst wordt in context geplaatst van de politieke situatie in de 14e eeuw, de economische rol van moeren als schapenweiden voor Gent, en de gevolgen van overstromingen zoals die rond 1305. Ook de “Vrijdom” van 1371 wordt besproken, waarin nieuwkomers in Beveren, Kallo, Kieldrecht en Verrebroek vrijgesteld werden van bepaalde heffingen om herbevolking te stimuleren.
Een vierde artikel behandelt de overgang van het ancien régime naar de nieuwe tijd, met nadruk op de hervormingen van Jozef II (1780–1790). De auteur schetst hoe edicten over kloosters, kerkhoven, huwelijken en seminaries tot verzet leidden. De Brabantse Omwenteling (1789–1790) wordt beschreven als een conflict tussen Statisten (conservatieven) en Vonckisten (progressieven), met lokale spanningen in het Land van Waas. Brieven en rapporten tonen hoe patrouilles, vrijwillige korpsen en dorpsbesturen worstelden met ordehandhaving, desertie en politieke verdeeldheid. De auteur besluit dat de omwenteling mislukte door interne verdeeldheid en dat de Franse tijd de definitieve regimebreuk zou brengen.
Verder bevat het nummer een In Memoriam voor minister van staat Hendrik Heyman, archiefstukken zoals het verslag van het bezoek van keizer Jozef II aan Kallo in 1781, een overzicht van de dekanale vergadering van 1676, en een voorlopige lijst van ontvangers van de Heilige Geest in Beveren (16e–17e eeuw). Tot slot volgen kringnieuws, bibliografie, aanwinsten voor de bibliotheek en het reglement van een fotowedstrijd ter gelegenheid van de gemeentefeesten van 1958.